Updated: 5 april 2008
  Copyright © stapel.org

Bevrijd van angst
- J.J. Shaw -



Omslag

© Copyright Dorothea-press
    Printed by permission




Nederlandse uitgave (uitverkocht):
Stichting Literatuur Evangelisatie
Witteklaverlaan 47 1562 AL Krommenie
Tel. +31 (0)75 6284616
email: info@evangelisatie.nl

Download hier de brocure in Microsoft Word (zip).


Hoofdstuk 1

Er zijn veel dingen die ik verlang te doen als ik eenmaal de hemel zal binnengaan. In de eerste plaats wil ik God danken voor de wonderbare vader en moeder die Hij mij gegeven heeft. Zij hebben zonder ophouden voor mij, hun gevallen zoon, gebeden totdat zij naar huis gegaan zijn. Daarna wil ik Hem danken dat juist ik genade gevonden heb in Zijn ogen en uit het groepje vrienden van die dagen gered werd. Ik was een stipje, een wrakstukje op de oneindige levenszee, heen en weer geslingerd, gebroken door de golven van het leven. Toch heeft Hij mij opgemerkt, Zijn handen hebben mij gevonden en toen op een gegeven ogenblik de golven klaar waren met hun werk, heeft Hij gezegd: ,,Nu is het genoeg, word stil!" Hij heeft mij opgetild in Zijn machtige armen en daarin vond ik vrede en rust. Stormen zijn er nòg in mijn leven, ik word nog heen en weer geslingerd in de strijd. Maar nu is er de zekerheid, de diepe overtuiging in mijn hart, dat dit mij wel verbreekt, maar niet verwoest. Want ik ben van Hem, volkomen van Hem, verlost voor tijd en eeuwigheid door Zijn bloed. Dit wil ik vertellen, opdat ook anderen samen met mij kunnen juichen. Ik wil verhalen van de verlossing die de Heiland mij bracht. Misschien kan een ander er door bemoedigd worden, want er zijn meer wrakstukken die maar wat doelloos ronddobberen. Hen wil ik zeggen: ,,Hij kent je en heeft je lief en als je stil luistert zal je boven het geluid van de storm duidelijk kunnen horen hoe Hij je roept."

Het verhaal van mijn bekering begint eigenlijk al met mijn geboorte, vele jaren geleden in het noordwesten. Mijn vader was tijdens zijn leven predikant van de Neder-Duits-Gereformeerde kerk in een gemeente aan de oevers van de Oranjerivier. Hij en mijn moeder waren in mijn ogen de twee meest verwonderlijke mensen, die ooit geleefd hebben. De meest verwonderlijke ouders die een kind ooit had. Het is het verdriet van mijn leven, dat ik dit pas ontdekt heb toen het bijna te laat was. In die tijd was het Noord -Westen nog geïsoleerd en afgelegen. Er viel weinig te bemerken van de voorrechten en het gerief van de moderne tijd. Een auto was een bijzonderheid, de telefoon was feitelijk onbekend en de praktijk van een dokter strekte zich letterlijk over honderden mijlen uit. Het was een eenzame wereld waarin de beschaving nauwelijks was doorgedrongen. Men heeft mij later verteld dat er tijdens mijn geboorte geen dokter was om mijn moeder bij de bevalling te helpen. Zij werd bijgestaan door een vrouw, die gewoonlijk als vroedvrouw hielp. Toen mijn moeders uur aanbrak, was de Oranjerivier buiten haar oevers getreden en deze vrouw bevond zich aan de overkant. Door de hoge waterstand konden de schepen niet varen. Ten einde raad heeft men een paard de rivier ingejaagd. Zij is naast het paard het water ingesprongen, heeft zijn staart vastgegrepen en zo is het paard met haar door het hoge water gezwommen. Hierdoor was zij nog juist op tijd om mijn moeder bij de geboorte te helpen. Toen ik op de wereld kwam, stormde het al en dat is zo gebleven.

Rust heb ik nooit gekend. Ik was verzot op avontuur en ik hield van zwerven. Er was iets in me dat mijn ziel voortdreef en mij nooit met rust liet. Overal waar gevaar dreigde en kans bestond op sensatie of avontuur, was ik te vinden, gedreven door een macht die ik niet de baas kon. Dat leven heeft me gebroken en mijn lichaam draagt tot aan mijn dood de kentekenen van die strijd. Ik wil u enkele voorvallen uit dit stormachtige leven noemen. Toen ik drie jaar oud was ben ik onder een paard en wagen te recht gekomen in de Adderleystraat in Kaapstad. Ze hebben me voor dood opgeraapt en me snel naar een hospitaal gebracht, waar ik dagen bewusteloos lag zonder hoop op beterschap. Tot twee, driemaal toe lag ik in mijn latere leven op een ziekbed terwijl de doktoren alle hoop op herstel hadden laten varen. Eenmaal zat ik in een vliegtuig, waarvan de motoren bleven stilstaan, waardoor het een noodlanding moest maken. Zes jaar lang was ik soldaat in de tweede wereldoorlog en voor mijn dertigste jaar was ik bij meer dan 14 verkeersongevallen betrokken geweest.
Als ik nu terugzie is het, alsof satan alles in het werk gesteld heeft om mij te verpletteren en mijn leven totaal te verwoesten, maar elke keer heeft de hand van God het afgewend en mij bewaard en beschermd, zelfs toen de woede van de hel mij niet wilde laten gaan.

Toen ik dertien jaar oud was, ben ik tot bekering gekomen door de diensten van dominee Koos van de Merwe, die in die jaren een speciale prediker van onze kerk was. Hij heeft diensten gehouden in mijn vaders gemeente en tijdens één van deze diensten heb ik de Here Jezus als mijn Verlosser aangenomen. Toen ik na de dood van mijn vader zijn papieren nakeek, heb ik in één van zijn dagboekjes in zijn eigen handschrift gevonden: ,,Vanavond heeft Hannes zijn hart aan de Here Jezus gegeven." Het moet voor hem en mijn moeder een wonderlijk ogenblik geweest zijn, toen zij die avond op hun knieën gingen om God te danken voor de verhoring van hun gebed, dat hun jongste zoon zijn hart aan de Here gegeven had. Zij konden niet vermoeden wat een lange weg hun rusteloze zoon nog zou moeten afleggen voordat hij zijn rust in de Here gevonden zou hebben en hoeveel tranen zij nog zouden uitstorten over dat kind. Het is waar, dat ik die avond mijn hart aan de Here heb gegeven, maar bijna direct daarna begon ik weer af te dwalen en ik raakte steeds verder en verder van de Here af. Ik dacht er over na en besloot dat Godsdienst voor grote mensen was en niet voor kinderen. Voor oude mensen was het goed om ernstig te zijn, maar als je jong bent valt er nog zoveel te leren. Het leven is nog zo mooi en aantrekkelijk, dat het eigenlijk niet goed is, dat een jong mens zich teveel in Godsdienst verdiept. Dat waren zo mijn gedachten.

Een avond is heel in het bijzonder in mijn gedachten gebleven. Het was vlak na het afleggen van mijn wiskunde-examen. Het leven lag voor mij. Die bewuste avond riep mijn vader mij in zijn studeerkamer en sprak zeer ernstig met mij over mijn toekomst. Hij vroeg mij of ik predikant wilde worden. Ik dacht een ogenblik na over mijn leven het leven van een domineeszoon. Wat heb ik zelfs na zoveel jaren daaraan nog een verschrikkelijke herinnering. De mensen zeggen wel eens dat domineeszoons niet deugen, dat de meeste pastoriekinderen mislukken in het leven en dat zij het niet ver schoppen. Misschien zit daar een waarheid in, maar als dit zo is dan wil ik menige gemeente voor de Here aanklagen, want niemand die niet in een pastorie is opgegroeid, zal ooit gemakkelijk kunnen begrijpen wat dit betekent. Als zoon van een dominee draag je zoiets als een Kaïnsteken. Als andere jonge mensen plezier maken is dat heel gewoon, maar als een predikantszoon dit doet, kijkt plotseling iedereen bedenkelijk. Moet je eens zien! Dat is nu de zoon van de dominee! Als je ergens in de gemeente komt valt er ineens een stilte. Pas op, daar is de zoon van de dominee. Of als ze je zien zeggen ze tegen je: ,,Dag dominee, hoe maakt u het?" Als een ander iets uithaalt, is er niets aan de hand, maar als jij het waagt gaat het het hele dorp rond en ze maken er allerlei moois bij en dan ben je in de hele gemeente gebrandmerkt. De onderwijzers op school hebben er plezier in om je er mee uit te dagen en in de gemeente is het al net zo. Zelfs je allerbeste vrienden zinspelen er na vele jaren nog op. Als gevolg hiervan is er later een wrevelige drang in je om ten koste van alles voor vol aangezien te worden en te bewijzen dat je voor niemand behoeft onder te doen.
Toen mijn vader mij die avond vroeg of ik geen predikant wilde worden, ging dit allemaal door mij heen. Twee dingen stonden voor mij zo vast als een huis. Ik wilde voor geen geld van de wereld predikant worden en ook niet één van mijn kinderen zou ooit in een pastorie opgroeien.

Ik heb heel goed onthouden wat ik toen mijn vader geantwoord heb. Nee, vader, nooit van mijn leven word ik predikant. Ik weet dat dit voor mijn ouders een zware slag was. Het was hun levensideaal dat één van hun zonen predikant zou worden en ze hadden gehoopt dat ik het zou zijn, omdat ik toen al, ondanks mijn jeugdige leeftijd, zoveel doodsgevaren, ongelukken en ziekten doorstaan had. Zij konden niets aan mijn beslissing veranderen, maar zij zijn voor mij blijven bidden.

Mijn persoonlijk ideaal was journalist te worden. Om de één of andere reden wilde mijn vader zijn toestemming hier niet voor geven. Eindelijk besloten we dat ik naar een plaatselijk kollege zou gaan om mijn studie te voltooien. Daarna zou ik voor verdere studie naar Amerika gaan. De avond voor mijn vertrek kwam mijn moeder naar mij toe, sloeg haar arm om mijn hals en zei met haar zachte stem: ,,Jongen, onthoud dat ik elke avond om negen uur voor je zal bidden. Waar en onder welke omstandigheden je ook bent, denk om negen uur aan mij want dan zal ik voor je bidden. Lieve oude moeder. Zij heeft niet kunnen weten, hoe deze woorden mij in latere jaren zijn bijgebleven en wat ze voor mij betekent hebben, al heb ik me er op dat moment en jaren die volgden, niet veel van aangetrokken.



Hoofdstuk 2

Die eerste dag, toen ik in de trein op weg was naar mijn nieuwe school, besefte ik dat ik eindelijk vrij was. Vrij van de pastorie en vrij van het brandmerk dat daaraan verbonden was. Vrij om een normaal leven te leven zoals ieder ander mens. Ik was niet langer de domineeszoon. Geen domineeskindje, maar een mens onder de mensen. Als bewijs van mijn vrijheid had ik mijn Bijbel heel diep in mijn koffer weggeborgen. Ik dacht: ,,Jij bent de oorzaak van mijn ellende, maar nu ben ik eindelijk van je af." Blijf daar maar lekker zitten, ik wil normaal leven. Voor mij was die Bijbel het symbool van mijn ongelukkige jeugd. De oorzaak van al mijn verbittering en ellende, waar ik zo onder geleden had en ik meende op dat moment dat ik zonder de Bijbel veel gelukkiger zou zijn.

Op het kollege kwam ik hoe langer hoe meer tot de ontdekking dat ik helemaal geen zin in die cursus had en dat er voor mij maar één richting bestond, namelijk de journalistiek. Mijn studie maakte mij diep ongelukkig en ik begon plannen te maken om weg te lopen en journalist te worden. Ik wist dat mijn vader hier tegen was en dat hij nooit zijn toestemming zou geven dat ik mijn studie opgaf. Hoezeer ik mij ook van mijn vaders verlangen bewust was, zag ik geen kans om nog langer tegen mijn zin mij met deze studie bezig te houden. Tenslotte ben ik, kort voor het einde van de cursus, van het kollege weggelopen. Ik verstopte me in een goederentrein en na een reis van een paar dagen kwam ik in Johannesburg aan met ongeveer een dubbeltje op zak. Om de gevoelens van mijn vader te sparen, wilde ik niet direct werk bij een krant gaan zoeken. Ik was van plan eerst bij een mijn te gaan werken en me in mijn vrije tijd in de journalistiek te bekwamen. Later kon ik dan eventueel freelance werk gaan doen.

In die dagen was er weinig werk in de mijnen. Enkele weken liep ik werkloos rond en tenslotte werd ik door tussenkomst van mijn vrienden, die ook voor mijn huisvesting gezorgd hadden, als leerling aangenomen bij een mijn. Mijn ouders wisten hier natuurlijk niets van en zij dachten dat ik nog op het kollege was. Ik had mijn vader niet verteld wat ik ging doen. Ik was bang dat hij mij direct naar het kollege zou terugsturen. Daarom wilde ik hem eerst bewijzen dat het mij ernst was voordat ik hem er iets over vertelde. Als ik er nu aan terugdenk, besef ik hoe verkeerd ik gedaan heb, hoeveel onnodig verdriet ik mijn ouders daardoor aangedaan heb en hoe ik mijn vader onderschat heb.

Na een jaar behaalde ik mijn mijnwerkersdiploma. Ik solliciteerde naar een andere mijn en werd aangenomen als assistent landmeter. De jaren in Johannesburg waren verschrikkelijke jaren van zonde en verval. Het waren jaren, waarin ik aan de zonde de vrije teugel gegeven heb en in de diepte daarvan wegzonk. Ik probeer dit niet te verdoezelen. Het is maar al te waar dat ik wegzonk in de modder van het leven. Samen met mijn vrienden leidde ik een losbandig leven, waarin we allemaal met ons hele hart de duivel gediend hebben en waarin God en godsdienst hoegenaamd geen plaats hadden. Daarna heb ik de godsdienst helemaal overboord gegooid en mijzelf en mijn vrienden wijsgemaakt, dat ik een atheïst was - een godloochenaar die niet meer in God geloofde. Nu besef ik dat dit niet werkelijk waar was. Nu weet ik dat dit mijn manier was om weg te vluchten van mijn brandende geweten, dat mij nooit met rust liet. Daarom deed ik en sprak ik alsof ik niet meer in God geloofde. Ik hoopte dat God mij met rust zou laten, zodat ik Hem ook werkelijk zou kunnen vergeten om vrij te zijn zo te leven als ik zelf graag wilde. Ik weet heel zeker dat de zaak zo lag, want hoewel ik mijn vrienden deed geloven dat ik een godloochenaar was wist ik diep in mijn hart dat God wel degelijk bestond en dat ik eenmaal voor Hem zou moeten verschijnen, of ik dit nu geloofde of niet. Na mijn huwelijk en na het uitbreken van de oorlog vroeg in het jaar 1940, werd het burgerregiment waartoe ik behoorde opgeroepen tot actieve dienst.

In het leger ben ik zo mogelijk nog verder weggezonken in de modder van het leven. De eerste paar jaar van de oorlog bleef mijn regiment in Zuid-Afrika voor binnenlandse dienst en kon ik dikwijls mijn vrouw bezoeken, die op de boerderij van haar ouders woonde met onze kinderen. Zo dikwijls als mogelijk was kwam zij ook mij opzoeken als we gedurende kortere of langere tijd in een bepaald dorp ingekwartierd waren. Een heel bijzonder weekend hebben wij met de kinderen op de boerderij van mijn schoonouders doorgebracht. Het was een heerlijk rustig weekend. De zaterdagmiddag brachten wij met elkaar door en die avond gingen we vroeg slapen. Niet vermoedend, dat dit één van de verschrikkelijkste nachten van mijn leven zou worden, waardoor ik op een kruispunt zou komen. Om ongeveer twee of drie uur in de nacht schrok ik plotseling wakker. IK werd mij onmiddellijk van twee dingen bewust: Er scheen van buitenaf een vreemd geel licht in de kamer en ik was bang. IK, die altijd onverschrokken was en de onmogelijkste dingen waagde, werd nu vastgehouden in de greep van de angst. Een angst waarvan ik het bestaan niet kende, te verschrikkelijk om te beschrijven. IK onderging de verschrikking van de doodsangst.

Plotseling bemerkte ik, dat ik helemaal verlamd was en geen enkel lichaamsdeel kon bewegen en dat ik ook niet kon praten. Ik lag daar met de absolute zekerheid, dat ik door een verschrikkelijke ramp getroffen was. Terwijl ik daar zo lag in de klauwen van mijn nameloze vrees met de verlamdheid in mijn lichaam, klonk er een Stem uit de lucht, die tot mij zei: ,,Jij hebt gezegd dat er geen God is. Jij hebt gezegd dat er geen hemel of hel is. Nu sta je op het punt te sterven en ga je de eeuwigheid in. Wat nu?" Op dat moment wist ik dat ik stervende was. Ik wist absoluut zeker, dat ik op dat moment bezig was de eeuwigheid in te gaan en dat de hel op mij wachtte omdat ik door mijn goddeloze leven en daden niets anders verdiende. Ik was stervende, maar bij mijn volle bewustzijn, wegzinkend in de eeuwige verdoemenis en ik had het gevoel, dat mijn geest bezig was mijn lichaam te verlaten.

Het is onbeschrijfelijk vreselijk om te voelen hoe je geest uit je lichaam gaat en hoe je lichaam achter blijft, terwijl je ziel in de eeuwigheid wegzinkt. Deze ondervinding kan ik niet met woorden omschrijven. Ik besefte, dat ik voor Gods rechterstoel verschijnen moest en dat kon ik niet.

Terwijl ik deze worsteling doormaakte werd mijn vrouw naast mij wakker. Hoewel het die nacht warm was, was mijn lichaam al koud en door deze onnatuurlijke kou van mijn lichaam was zij wakker geworden. Intuïtief wist ze dat er iets mis was. Zij deed het licht aan om naar mij te kijken. Ze vreesde dat ik dood was en dat ze naar mijn lijk keek. Ze bad hardop en hoelang ze gebeden heeft weet ik niet. Ik weet, dat God ons genadig was en dat Hij verhoorde. Ergens onderweg naar de eeuwigheid hoorde ik haar stem en ik keerde terug en ik werd mij weer bewust van mijn lichaam, dat nog stijf en koud was. Naast mij klonk de stem van mijn vrouw, die voor mij bad en pleitte. Toen ik me weer normaal kon bewegen en weer kon praten en de doodse kou uit mijn lichaam verdwenen was vroeg ze mij wat er gebeurd was. Op dat moment kon ik alleen maar zeggen dat ik dacht, dat ik ging sterven, maar dit was niet waar. Dit dacht ik niet maar ik wist dat ik stervende was en voor een ogenblik de poorten van de hel mocht zien. Eén ogenblik heb ik voor de poorten van het dodenrijk gestaan. Daarna werd ik door genade teruggebracht. Nee, dit was geen droom, maar werkelijkheid. Op dat ogenblik was deze waarheid zo ontzettend en de ervaring zo verschrikkelijk, dat ik het niet kon geloven. Daarom zei ik: Ik dacht dat ik stierf.

Zij antwoordde mij: ,,Weet je, dat we vanaf ons trouwen nog nooit samen hebben gebeden? Laten we samen knielen en bidden." In die vroege uren van die morgen zijn we voor het bed neergeknield en hebben we samen gebeden. Ik, die ruwe mens, die een ogenblik daarvoor nog op weg was om voor Gods rechterstoel te verschijnen, maar die teruggeroepen werd door de genade van God en dank zij mijn vrouw die voor mij bad.

Eindelijk vielen we weer in slaap. De volgende morgen stond ik op en kleedde mij aan. De zon scheen helder, het was een lieflijke dag en ik dacht terug aan de gebeurtenissen van de afgelopen nacht, toen ik eigenlijk gestorven was. Ik moest lachen om mezelf. Wat gek om zoiets te geloven, om je daaraan te storen, dacht ik. Zou ik nu werkelijk zulke onzin geloven? Die middag ging ik terug naar het kamp en in de trein dacht ik herhaaldelijk aan de gebeurtenissen van de afgelopen nacht en ik moest er telkens weer om lachen.

Toen het echter die avond weer donker begon te worden, kwam ik wéér in de greep van een nameloze angst en die hele nacht heb ik met God geworsteld. Er was een strijd in mijn binnenste, die ik niet in woorden kan uitdrukken. Een strijd tegen iets of iemand tegen wie ik niet opgewassen was. Die eindeloos lange nacht hield de worsteling aan totdat het ochtend werd. Toen het licht werd kwam ik tot rust en dacht bij mezelf: Je moet het niet te gek maken! Zo begonnen de verschrikkelijkste maanden van mijn leven. Elke nacht leek het alsof God persoonlijk met mij worstelde, alsof Hij mij wilde bevrijden van mijzelf. Er waren echter te veel dingen in mijn leven die ik niet wilde prijsgeven en daarom weigerde ik mijn leven door Hem te laten verbreken en mijzelf aan Hem over te geven. Overdag deed ik mijn best om bezig te blijven en ik zorgde er voor dat ik nooit alleen was. Daardoor ging het overdag wel goed maar des nachts kon ik niet vluchten. Als ik dan eindelijk alleen was en in mijn bed lag kon ik Zijn stem en Zijn handen niet ontlopen. Dan was het een strijd op leven en dood over het feit wie er baas zou zijn over mijn leven.

In die uren sprak God heel duidelijk, maar ik wilde niet luisteren en als de nacht voorbij was en de zon weer scheen moest ik er telkens om lachen. Dit ging zo maandenlang voort en ik realiseerde me dat ik bezig was om krankzinnig te worden. Zo kon ik niet doorgaan. Ik dacht dat de dokter mij kon helpen en nadat hij mij onderzocht had stuurde hij mij naar een militaire psychiater. Deze zond mij op zijn beurt naar het militaire hospitaal, waar hij mij ongeveer veertien dagen lang onderzocht. Daarna liet hij mij roepen: Je bent op de rand van een algehele zenuwinstorting en ik ontsla je uit het leger.

Dit was een enorme klap voor me. Ik vroeg hem om bedenktijd. Na een paar dagen was ik weer bij hem terug. ,,Majoor," zei ik, ,,het is eigenaardig maar ik voel me beter en ik denk dat het over is. Ik voel me werkelijk helemaal gezond." Hij keek me heel streng aan en zei: ,,Shaw, I think you are a liar and you will surely come back to me and when you do, God help you, because I won't." - Shaw, je bent een leugenaar en ik weet zeker dat je bij me terug komt en als dat gebeurt moge God je dan helpen, want ik begin er niet meer aan. Ik ging weg en dacht: Als dit zenuwen zijn dan is het niet zo erg, want daar kan ik zelf wel wat aan doen. Ik gebruikte alle kalmerende middelen die ik maar in handen kon krijgen, maar zonder resultaat. Integendeel, mijn strijd werd steeds heftiger en mijn last steeds zwaarder. Uiteindelijk probeerde ik des avonds mijn ellende te vergeten in de drank, maar na een poosje wilde dat zelfs niet meer helpen. Hoe meer ik dronk, hoe meer ik mij bewust werd van de strijd in mijn ziel.

Op een dag kreeg ik plotseling bevel om met een aantal manschappen naar Zuidwest Afrika te vertrekken ter versterking van één van onze afdelingen daar.
Wij gingen overhaast weg uit Sonderwater, er was zelfs geen tijd om onze familie te groeten en hen van ons vertrek op de hoogte te stellen. Dit was één van die militaire manoeuvres van die tijd. Juist toen verwachtte mijn vrouw ons jongste kindje. Het ging helemaal niet goed met haar. Trouwens, haar gezondheid was zo zwak dat er sprake van was, dat zij deze bevalling niet zou kunnen doorstaan. Men twijfelde er zelfs aan of zij wel in leven zou blijven.

Onder deze omstandigheden vertrok ik. Ik kon haar geen enkel bericht geven, zelfs mijn toekomstige adres niet. Ik wist zelfs niet waar we heengingen. Ik wist alleen dat zij in de komende dagen naar een verpleeginrichting moest en dat haar leven in gevaar was. Ik had geen enkele zekerheid dat ik haar ooit nog levend terug zou zien.

Na onze aankomst in Windhoek kreeg ik via de telefoon een dringende oproep naar Zuidwest Afrika terug te keren. Mijn vrouw was ernstig ziek en men vreesde voor haar leven. Die dag, met het telegram in mijn hand, besefte ik eindelijk wat ik had doorgemaakt. Het waren mijn zenuwen niet, maar God was met mij bezig. Ik werd me opeens bewust dat God mij toen die bewuste nacht op de boerderij een kans gegeven heeft zoals maar weinigen die krijgen. Want Hij heeft mij van vóór de poorten van het dodenrijk doen terugkeren en in plaats van dankbaar te zijn, verhardde ik mijn hart ten opzichte van Hem. God sprak tot mij, maar ik wilde niet luisteren. Toen kwam God en maakte me duidelijk dat niet alleen mijn leven, maar ook de levens van hen die mij dierbaar waren, in Zijn hand waren. ,,Ik kan ook hen breken als Ik dat wil." Op die dag wist ik, dat ik niet langer van de levende God kon wegvluchten en ik heb mij onvoorwaardelijk aan Hem overgegeven.

Diezelfde avond ging ik van Windhoek met de trein naar huis. Later vertelden ze mij de bijzonderheden. Ik ben geen dokter en ik kan alles niet duidelijk uitleggen, maar het is ongeveer als het volgt aan mij verteld. Onze baby werd na een uiterst moeilijke bevalling dood geboren. Dat dachten ze tenminste. Mijn vrouw was stervende, haar pols stond stil, ze had geweldig veel bloed verloren. De dokters hebben echter de moed niet opgegeven en tegen alle verwachting in is er vooruitgang in haar toestand gekomen. Zij kwam weer tot bewustzijn en begon weer normaal te reageren.

Om de één of andere reden keken de dokters en de verpleegsters toen eens naar de baby. Een verpleegster zei: ,,Het is een welgeschapen zoon en dat wilde ze toch zo graag!" De dokter keek eens wat aandachtiger naar de baby. Ook hij kwam tot leven en begon normaal te reageren. Zo gaf God deze twee mensen aan mij terug.

Na een paar dagen keerde ik terug uit Zuidwest Afrika. Kort daarna kreeg ik bevel om naar Pieter Maritzburg te gaan. Daar heb ik mij bij mijn eenheid aangesloten en kort daarna ben ik naar het Noorden vertrokken, maar voordat dit gebeurde heb ik de zaak met de Here in orde gemaakt en mij volkomen aan Hem gegeven. Ik wist dat Hij het was, die deze afgelopen maanden met mij gesproken had en dat Hij mij tot overgave wilde brengen. Nu kreeg ik vrede en rust.

De maanden daarna waren ontzettende maanden van eenzaamheid en strijd, maar het was nu een ander soort strijd. Er was niemand met wie ik kon praten of bij wie ik mijn hart kon uitstorten. Niemand die me kon helpen. Ik had niet eens een Afrikaanse Bijbel, alleen een Engelse. Ik had eigenlijk ook geen vrienden meer. Voor mijn drinkebroers van vroeger was ik nu een vreemde. Ik moest alles alleen doorworstelen. Het waren verschrikkelijke maanden van eenzaamheid en soms ook van twijfel. Later, in de woestijn, heb ik veel nachten onder de heldere sterrenhemel doorwaakt in uiterste wanhoop. Maar juist omdat ik alleen stond in deze strijd, nam ik mijn toevlucht tot God en Hij heeft me niet teleurgesteld. In voortdurende onzekerheid en te midden van de verwoestende oorlog kon ik me alleen op Hem verlaten. Hij heeft mij nooit teleurgesteld en ik heb volkomen vrede in Hem gevonden en ook geleerd me volkomen op Hem te verlaten.

Pas in Egypte kwam de gedachte in me op dat ik predikant moest worden. Dit wist ik opeens heel zeker. Dat neemt niet weg dat ik eerst wegvluchtte voor die gedachte. De herinnering aan mijn jeugd en aan het gesprek met mijn vader jaren geleden in zijn studeerkamer kwam weer naar boven en schrikte me af. Bovendien had ik nu een vrouw en drie kinderen en als ik nu nog predikant zou worden zou dat betekenen dat ik nog zeven jaar aan de universiteit zou moeten studeren. Waar zou het geld vandaan moeten komen om ons gezin te onderhouden? Het belangrijkste was wat mijn vrouw er van zeggen zou. Zij wist er nog niets van en zou ze het wel willen? Zou ze ons betrekkelijke luxueuze leventje willen prijsgeven? Zou ze bereid zijn het zeven jaar zwaar te hebben ter wille van een ideaal? Direct na de invasie in Italië werd mijn eenheid daarheen gestuurd en tijdens die paar dagen durende overtocht uit Egypte kon ik weer lang en ernstig over mijn probleem nadenken. Op een ochtend zat ik op een tros op de bak van het schip. Het was een oud vrachtschip en het was zondag. Ik keek over het water en zag hoe rustig en stil alles was. Het was zo kalm, dat je moeilijk kon geloven dat het oorlog was en dat een vijandelijke aanval ieder ogenblik de levens van velen in het konvooi zou kunnen opeisen. Terwijl we rustig verder voeren zag ik ook hoe de oorlogsschepen rusteloos heen en weer kruisten naar alle zijden van het konvooi en dat soldaten en matrozen bij hun kanonnen klaar stonden om iedere aanval af te weren. Toen ik naar dit alles keek, in de stilte van die zondagochtend, moest ik er aan denken, dat God zo over mij waakte. Zoals zij waakten over het konvooi, zo waakt God over Zijn kinderen. Evenals het oudste en zwakste schip in het konvooi veilig is, zo is ook het zwakste van Zijn kinderen veilig in Zijn handen. Alles wat ik te doen had was Hem te vertrouwen en mijn leven volkomen in Zijn handen te leggen. Toen dacht ik: Waarom zal ik mij zorgen maken over mijn toekomst. Of ik predikant zal worden of niet. Of er geld zal zijn of niet. Dat is Gods zaak en niet mijn zaak. Als Hij wil dat ik in Zijn dienst kom, zal Hij ook zorgen dat het mogelijk is en als ik zeven jaar op de universiteit moet blijven zal God in alles voorzien, want dan ben ik daar in Zijn dienst. Daar, op de voorplecht van het oude vrachtschip boog ik mijn hoofd sloot ik mijn ogen en bad: ,,Here, ik ben bereid om predikant te worden als U dat wilt. Ik ben volkomen bereid om de rest van mijn leven in Uw dienst door te brengen. Geld heb ik niet, maar daarin zult Gij voorzien. Als U mij wilt hebben voorziet U dan maar in mijn behoeften." Daarna ben ik volkomen tot rust gekomen in Zijn wil en kwam de storm in mijn ziel tot bedaren en na bange nachten vond ik mijn God en gaf ik mijn leven helemaal aan Hem over. Nu was het stil en rustig in mijn ziel.

Nadat we in Italië geland waren schreef ik naar huis om aan mijn vrouw duidelijk te maken wat er gebeurd was. Ik vroeg haar of ze bereid was om deze stap te doen. Vol spanning wachtte ik op haar antwoord.

Na een paar weken ontving ik bericht. Het was kort en eenvoudig. Ze vroeg of ik al ontslag kon krijgen of dat ik moest wachten tot de oorlog voorbij was. Als we daarop moesten wachten zou zij intussen beginnen alles klaar te maken, zo beloofde ze.



Hoofdstuk 3

In september 1945 keerde ik terug naar Zuid-Afrika en in januari 1946 gingen we naar Stellenbosch. Dit was in alle opzichten een geloofsdaad. We gingen in de naam van de Here en wat heeft Hij wonderlijk voor ons gezorgd. In die zeven studiejaren hebben we nooit overvloed gekend, maar we leden ook nooit gebrek of honger. God heeft in deze zeven jaren in alles voorzien wat wij nodig hadden. Vrienden en belangstellenden hebben ons geholpen en ons bemoedigd. Het heeft lang geduurd voordat ik de oorlog met zijn afgrijselijkheden en wreedheden en de hardheid van de soldaat in actieve dienst kon vergeten. Ik geloof niet, dat ik dat leven ooit helemaal zal vergeten, maar er was ook veel in dat leven waarvoor ik God kan danken. In die jaren heb ik geleerd wat de diepten Gods zijn en wat een wonderlijke God ons helpt. Laat me u zo'n ervaring vertellen. In het begin van juni 1944 lag onze eenheid bij het Italiaanse dorpje Ortona. Dat dorpje lag tegen de helling van een berg, vlak boven de zee en we hadden ons bivak in een huisje op het strand. Dit strand was ongeveer 800 meter lang. De vijand bood daar lange tijd felle tegenstand, maar uiteindelijk besloot de vijand terug te trekken. Omdat wij deel uitmaakten van de genietroepen en we juist opdat ogenblik met uiterst belangrijk werk bezig waren, besloot de vijand ons eerst uit te roeien voordat zij terugtrokken.

Met hun artillerie deden zij alles wat in hun vermogen lag om ons te vernietigen en dat is een onvergetelijke ervaring voor me geworden. Ik zal nooit vergeten hoe een groot aantal kanonnen van allerlei kaliber tegelijk ons strandje begonnen te bombarderen. Het bombardement begon in de nacht van zondag 4 juni en ging onafgebroken door tot woensdagmorgen ongeveer 11 uur. Zonder ophouden hebben zij in die dagen hun bommen op het stukje strand van nog geen kilometer lang laten ontploffen in een poging iets meer dan 100 man te vernietigen en volgens alle berekeningen hadden ze daarin moeten slagen.

Vlak naast ons lag een Indisch regiment en die maandag hebben zij hals over kop gepakt en zijn gevlucht, omdat ze letterlijk uit elkaar gebombardeerd werden. Voor ons was er echter geen kans om te vluchten en we moesten in onze huizen en schuilkelders blijven. Toen het woensdagmorgen stil werd konden we het eerst niet geloven, maar langzamerhand drong het tot ons door dat het bombardement voorbij was. Drie dagen en drie nachten heeft de vijand geprobeerd om ons te vernietigen en toch werd niet één van onze mannen gedood en ook niemand ernstig gewond. Geen mens had een schrammetje opgelopen. Toen we de verwoestingen om ons heen zagen en naar de huizen keken die totaal met de grond gelijk gemaakt waren, realiseerden we ons, dat geen enkele bom op ons huis ontploft was. Er waren een paar bommen op ons huis van drie verdiepingen gevallen, maar ze waren niet ontploft. We hebben die bommen er later weggehaald en onschadelijk gemaakt. Dit kon niemand begrijpen. Dit was ongelooflijk. Mensen die het weten konden verklaarden dat zij nog nooit zoiets meegemaakt hadden. Volgens alle berekeningen had onze eenheid verwoest moeten zijn.

Ongeveer veertien dagen daarna kreeg ik een brief van mijn vrouw. Zij schreef mij daarin ongeveer als volgt: ,,Ik was al ingeslapen, maar ik werd plotseling wakker. Ik was biddend wakker geworden en ik was ontzettend bang. Ik werd me bewust dat je in een verschrikkelijk groot gevaar verkeerde. Al wat ik voor je doen kan is bidden en dat doe ik ook. Ik bid onophoudelijk, dat God Zijn hand over je zal houden en je zal bewaren. Ik weet dat Hij het zal doen en dat Hij je weer veilig zal thuisbrengen." Die brief was gedateerd op zondagnacht 4 juni. Het was de nacht, dat het bombardement begonnen was. Duizenden kilometers van ons af heeft iemand op haar knieën geworsteld en God heeft het verhoord en ons gered.

Voor mijn ouders was mijn besluit om predikant te worden de vervulling van hun wens. Zij verlangden er naar dat er toch één zoon in de bediening zou staan. Ze wisten al jaren dat ik niet gered was en dat ik niets van godsdienst moest hebben. Zij zijn echter blijven bidden en blijven geloven. Mijn moeder vertelde me later, dat, toen zij het bericht kreeg, dat ik naar het Noorden vertrokken was, zij naar haar kamer ging om voor mij te bidden en om mij aan de Here op te dragen. De woorden wilden niet over haar lippen komen en het was verschrikkelijk voor haar om te weten dat haar kind ongered naar het oorlogsfront ging. Zij wist toen nog niet, dat ik de Here wel gevonden had en haar smart was te diep voor woorden.

Toen schoot haar de vrome Monica te binnen, de moeder van Augustinus. Hij was als jongen ook een roekeloos mens die in zonde leefde. Op een dag ging hij een zeereis maken en bij zijn vertrek ging zijn moeder op haar knieën en bad:
,,Here, mijn kind gaat als ongered mens weg, breng hem weer als een Verloste in U terug." Haar gebed werd verhoord.

Op die reis maakte Augustinus iets heel verschrikkelijks mee, waardoor zijn leven veranderde en waardoor hij als een verloste terugkwam. Toen mijn moeder die ochtend op haar knieën lag en geen woorden kon vinden om haar droefheid uit te drukken, bracht dit wonderlijke verhaal haar troost en kon ze bidden: ,,Als U háár gebed voor haar kind verhoord hebt, wilt U dan ook het mijne voor mijn kind verhoren. Heer, mijn zoon gaat weg als een volslagen wereldling, maar breng hem door genade terug als een verlost mens." God heeft dit gebed wonderlijk verhoord. Het was voor haar een groot ogenblik, toen ik later schreef dat ik de Here gevonden had. En ook daarna toen ik schreef dat ik mijn leven aan Zijn dienst wilde wijden.

Gedurende de zeven studiejaren hebben zij ons geholpen en ons bemoedigd voor zover dit in hun vermogen lag, maar naarmate het einde van mijn studie nader kwam, werd mijn moeder steeds weemoediger. Een paar maal zei ze, dat ze voelde, dat de Here haar gauw zou komen halen. Zij vroeg Hem of ze door Hem gespaard zou mogen worden tot Hannes' bevestiging, opdat zij mij de toga nog zou mogen omhangen. We spotten wat goedig met haar en zeiden haar, dat ze nog zo jong was en dat het maar sombere gedachten waren en dat ze nog wel lang zou leven. Dan hield ze zich stil en keek ze ons alleen maar aan met een diepe uitdrukking in haar ogen.

Eindelijk waren de lange studiejaren achter de rug en ontving ik mijn beroep naar mijn eerste gemeente. Dit was voor mij en ook voor mijn vrouw en kinderen en voor mijn ouders een groot ogenblik. Het grootste ogenblik in ons leven. Mijn vader sprak de bevestigingsrede uit en aan het einde is mijn moeder naar voren gekomen en heeft de toga om mijn schouders gehangen. Later vertelde ze, dat zij, toen ze weer terug was op haar plaats, haar hoofd boog en bad: ,,Dank U Heer, dat ik Uw heil gezien heb, laat nu Uw dienstmaagd in vrede gaan."

Ongeveer drie maanden later is zij plotseling gestorven en hebben wij haar vanuit diezelfde kerk begraven. Na een leven in dienst van haar geliefde Meester is moeder naar huis gegaan.

Wat valt er nog meer te zeggen? Alles is gezegd en toch nog niets, want boekdelen kunnen er verteld worden over de genade van God aan een mens. Elke dag mag ik ondervinden, dat deze genade nog niet opgehouden is. Hij moest mij helemaal verbreken om mij in Zijn dienst te kunnen nemen, zodat Hij mij weer kon opbouwen. Dit verbrekingsproces duurde lang en gaat trouwens nog steeds voort. Ik dank mijn Heer daarvoor, want hoe meer er in mijn leven verbroken wordt, des te bruikbaarder word ik voor Hem. Ik weet nu uit ervaring, dat Hij mij wel verbreekt, maar dat Hij mij niet verwoest, want Hij heeft mij lief.



Nawoord

Dit is in het kort het verhaal van mijn leven en van mijn bekering. Het is het leven van een man, die niet wilde luisteren toen God sprak, maar die zijn hart verhardde. Een man, die zich wilde verzetten tegen de levende God en die het zelf wel wilde opknappen. Ik dank Hem, dat Hij niet moe geworden is en mij niet heeft laten gaan en zo is ook dit verhaal van een man, die in plaats van zijn verdiende straf, genade gevonden heeft. Ik weet, dat ik nog veel te kort schiet. Ik weet, dat er nog zoveel dingen in mijn leven zijn, die nog in orde gebracht moeten worden. Maar ik twijfel niet meer, want ik ben er ten volste van overtuigd in mijn hart dat mijn Verlosser leeft en dat Hij de macht heeft om het pand te bewaren tot die dag. Al zijn er dan ook nog veel dingen die ik niet kan begrijpen, dat maakt in wezen niets uit. Hij begrijpt het en dat is voor mij genoeg.

Als predikant is het voor mij een voorrecht om te weten, dat, als ik spreek over zonde en genade, het oordeel en de hel en de liefde van God, dit voor mij geen theorie is, maar werkelijkheid, die ik zelf ondervonden heb. Als ik eenmaal zal worden geroepen om onherroepelijk de eeuwigheid te betreden, weet ik ook, dat het anders zal zijn dan de eerste keer. Dan zal er geen vrees of angst zijn, maar enkel genade dat ik, die in de modder van het leven gelegen heb, opgetild werd om Zijn kind te worden, verlost voor tijd en eeuwigheid. Wanneer ik in de hemel kom zal één van de eerste dingen zijn, dat ik aan de voeten van de Heiland zal neervallen om Hem te danken dat Hij mij gered heeft en om Hem te danken voor de vader en moeder die voor mij hebben gebeden en voor mijn vrouw, die mij door alles heen heeft bijgestaan, omdat zij samen met mij geloofd heeft. Misschien is er één onder u die dit verhaal gelezen heeft, die vader of moeder is van een kind dat ook afgedwaald is. Dan vraag ik u: ,,Bid voor uw kind. Bid onophoudelijk dag en nacht, want God zal verhoren." Misschien is er onder de lezers een ziel, die strijd en worstelt. Die in zijn leven telkens opnieuw de hand van God gevoeld heeft en steeds maar weer geprobeerd heeft om er onderuit te komen. Vriend, ik spreek uit ondervinding. Je moet je niet langer verharden. Je moet het niet langer uitstellen. Jezus zoekt om te redden en niet om te verwoesten. Laat Hij je vinden en redden, zodat je veilig bent onder Zijn hoede. Wat Hij aan mij gedaan heeft kan Hij ook voor u doen.

- EINDE -


Wilt u reageren? Stuur ons even een email.


home top