Wat een christen niet is
"En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een christen te worden."
(Hand. 26:28)
Wij willen beginnen met te zeggen dat wij het woord "christen" gebruiken in overeenstemming met dat, wat in het Nieuwe Testament wordt gevonden en wij gaan er vanuit dat men dit zal willen accepteren. Bij onze overdenking zullen wij eerst enkele dingen uitschakelen en wij willen nagaan wat een christen niet is.
1. Christen worden betekent niet dat men 'godsdienstig' wordt of een nieuwe 'godsdienst'    aanneemt.
Als mensen zich bekeren tot Christus wordt dit bij niet-christelijke volken vaak genoemd 'het christendom aannemen', terwijl in zogenaamde christelijke landen bekering vaak wordt aangeduid als 'gelovig worden'. Zulke uitdrukkingen met de daaraan verbonden begrippen, schieten schromelijk tekort en zijn principieel volkomen verwerpelijk. Er was in zijn tijd geen godsdienstiger mens op aarde dan Saulus van Tarsus. Leest u maar eens wat hij van zichzelf zegt in Handelingen 22 en 26 en Filippenzen 3. Hier was een man, die brandde van godsdienstijver en hartstocht. Het is niet nodig, ziende op de geschiedenis, om te bewijzen hoe zeer godsdienst dwalen kan. En dat geldt ook voor het 'christendom', als het slechts een kwestie van godsdienst is. Een waar christen te zijn, betekent niet dat men een geloofsbelijdenis of leerstellingen heeft aangenomen of dat men bepaalde diensten bijwoont en werkzaamheden verricht en meer of minder trouw leeft overeenkomstig een voorgeschreven leefwijze. Dit alles kan men heel ver doorvoeren en het kan met zeer veel goeds gepaard gaan en toch is het mogelijk dat men nog niet behoort tot hen, die in het Nieuwe Testament werkelijk 'christenen' worden genoemd. Hierin ligt het gevaar dat men veronderstelt door God aangenomen te zijn, hetgeen die bittere teleurstelling brengen kan, door de Heer Zelf voorzegd in de ontstellende woorden: "Velen zullen te dien dage tot Mij zeggen: Here, Here, hebben wij niet…… in Uw naam vele krachten gedaan? En dan zal Ik hun openlijk aanzeggen: Ik heb u nooit gekend; gaat weg van Mij" (Matth. 7:23-24).
Neen, godsdienst is nog geen christendom, in meerdere of mindere mate, mogelijk is het niets dan misleiding. Als wij dus graag willen dat mensen christenen worden, vragen wij hun niet hun godsdienst te veranderen en ook niet om godsdienstig te worden. Godsdienst als zodanig heeft de wereld nooit gelukkiger of beter gemaakt.
2. Christen-worden bestaat niet uit het zich aansluiten bij een 'kerk'.
Eigenlijk bestaat er niet zo iets als het 'zich aansluiten' bij een christelijke Gemeente. Wij hebben nooit iets gedaan, hetzij met woorden, hetzij met daden om onze ledematen tot lichaamsdelen te maken. Er is geen onderscheid tussen onze ledematen en ons lichaam - onze ledematen vormen ons lichaam; maar werden niet tot een lichaam "georganiseerd", niet daartoe aangezocht of voor die functie onderwezen of geëxamineerd, maar ZIJN het eenvoudig door één en hetzelfde LEVEN.
Daarom is in de Gemeente van Christus, vooropgesteld dat er ware levensgemeenschap bestaat, een "lidmaatschap" in de letterlijke zin, overbodig en het kan een gevaar zijn. Als er zulk een gemeenschap niet bestaat, dan kan geen "lidmaatschap" ooit de Gemeente van Christus vormen.
Wij vrezen, dat er zeer velen zijn, die 'lid' zijn van een kerk en die de toets van wat een christen werkelijk is niet zullen doorstaan. Maar laten wij hier zeggen dat wanneer wij een beroep doen op mensen om christen te worden, wij hun niet vragen zich 'aan te sluiten bij de Kerk'. En wij moeten er ons van bewust zijn, dat het christendom niet een instelling of gemeenschap is naast de bestaande. Men kan naar vele plaatsen gaan, die 'kerken' genoemd worden en nooit werkelijk Christus ontmoeten of voldoening vinden.
Dit is natuurlijk negatief. Wij moeten er ons echter van bewust zijn dat, wanneer wij christen worden, wij één zelfde nieuw leven in Christus delen met alle andere wedergeboren gelovigen en zo worden wij één in Christus. Dat is de Kerk in werkelijkheid. Wij moeten daarom deze gemeenschap zorgvuldig beoefenen en met ijver waken over de heiligheid daarvan. Er liggen geweldige waarden in.
3. Christen-worden betekent niet deel uit te maken van een nieuwe beweging.
Het is waar dat in zekere zin het christendom een beweging is, een Goddelijke beweging, die haar oorsprong heeft in de Hemel. Maar er zijn zeer velen, die het christendom beschouwen als een grote onderneming voor wereldverbetering of zelfs evangelisatie. Er wordt zo vaak een beroep gedaan op de mensen om zich te geven voor dit grote 'werk'. Er is iets in de meeste mensen, waar een dergelijk beroep weerklank vindt en dat graag deel zou uitmaken van en grote beweging. Maar deze wijze van benadering zal moeilijkheden uitlokken of in elk geval zal men vroeger of later bemerken dat men zich in een valse positie bevindt. Mozes kreeg de gedachte van een 'beweging' in Egypte - en toen kwamen er veertig jaren van werkeloosheid in de woestijn. Er gaat iets aan de 'beweging vooraf en de beweging gaat van God uit en niet van ons.
De grootste waarde, die in een beweging ligt, wanneer Gods tijd er voor is gekomen, is vaak dat wij geleerd hebben niets te doen zonder Hem.
Wij doen geen beroep op u zich aan te sluiten bij een beweging. Wij richten geen uitnodiging tot de jeugd, zeggende: 'Hier is iets, waarop je je met al je natuurlijke krachten en jeugdig enthousiasme kunt werpen!' Wij zouden willen zeggen: 'God heeft een doel: Hij stelt belang in u met betrekking tot dat doel. Maar - u kunt dat doel nooit kennen noch er deel aan hebben, totdat er iets in u is gebeurd, waardoor u een ander mens bent geworden. In dat voornemen Gods, zult u veel meer nodig hebben dan natuurlijke krachten en jeugdig enthousiasme'.
Dat brengt ons tot de positieve kant wat een christen is.
Wat een christen wel is
Als wij proberen duidelijk te maken wat een christen werkelijk is, kunnen wij niet beter doen dan als voorbeeld te nemen het leven van iemand, die niet slechts zelf een groot voorbeeld was, maar wiens ervaring die van iedere oprechte gelovige is geweest sindsdien. Wij bedoelen hem, tot wien door een Romeinse koning de woorden werden gericht, die aan het begin van dit hoofdstuk staan - de apostel Paulus. De weg van zijn bekering moge dan niet de gebruikelijke of algemene zijn, de beginselen zijn altijd hetzelfde.
Dit zijn dan de eerste drie beginselen en werkelijkheden van het leven van een waar gelovige.
1. "Wie zijt gij?" "Ik ben Jezus".
Het eerste is het innerlijke besef, dat Jezus een levende Persoon is (niet: was).
De allereerste woorden van Paulus, toen hij met Christus werd geconfronteerd, waren: "Wie zijt gij?" Waarop het antwoord kwam, duidelijk en krachtig - "Ik ben Jezus!" Het was een schokkende ontdekking en Paulus had terecht kunnen uitroepen: "Wat, lééft Jezus!" Jezus was gedood, gekruisigd. Al wat er nog te doen was, was de herinnering aan Hem uit te wissen en dat, wat Hem vertegenwoordigde, te vernietigen. Aan dit werk had Paulus (toen Saulus) zich gewijd. Wij kunnen ons daarom nauwelijks voorstellen hoe ontstellend en verlammend het was om geplaatst te worden voor het feit dat Jezus niet dood was, maar leefde en in de heerlijkheid was. En niet alleen geconfronteerd te worden met het feit, maar met de Persoon zelf.
Alles, wat dit inhield en met zich meebracht, is de leer van vele eeuwen nadien geweest. Maar voor degenen, voor wie deze woorden thans geschreven zijn, kan dit alles teruggebracht worden tot iets, wat heel eenvoudig is. Wij beginnen ons geloofsleven met een beleving van deze levende werkelijkheid. Niet een Jezus van de geschiedenis, maar een Jezus, die met het hart ervaren wordt. Dat Hij werkelijk leeft is het enige, wat wij moeten ervaren en het is de meest ernstige zaak in verband met onze eeuwige bestemming. Wij moeten onze tradities, onze vooroordelen, onze achterdocht, onze vragen, onze verstandelijke problemen loslaten en rustig neerknielen, tot Hem spreken (hoewel wij Hem niet zien) zoals wij zouden spreken tot iemand, die wij kunnen zien; Hem met een oprecht hart vertellen wat wij Hem zouden vertellen als wij van aangezicht tot aangezicht tegenover Hem stonden. De eerste stap is zeer beslist, dat wij tot Hem spreken als tot een Persoon.
Dit is een ontdekking. Wij leren uit het Nieuwe Testament dat Gods Geest in de wereld is om ons tot deze ontdekking te leiden - om het waar te maken dat Jezus leeft om te redden en om Zelf ons leven te zijn. Dit heerlijke besef, dat Jezus leeft, komt tot het hart van een ieder, die zich oprecht tot Hem wendt en die het met Hem waagt; al het andere komt daaruit voort.
Er is eigenlijk maar één weg om Jezus te leren kennen en dat is door tot Hem te komen. Het lijkt misschien heel onwezenlijk en dwaas om iets te zeggen tot iemand, van wiens bestaan wij innerlijk niet overtuigd zijn; maar zou zoiets in de menselijke verhoudingen ook niet voor kunnen komen? U hebt bijvoorbeeld van een bepaalde dokter gehoord. Wat u ter ore gekomen is, geeft u de overtuiging dat hij precies de man is die u nodig hebt voor uw geval. Zegt u dan dat u niet gelooft dat er zo iemand bestaat? En als er mensen zijn die beweren dat hij al si overleden, neemt u dat dan maar als bewezen aan?
Of zou u zelfs zover gaan dat u naar hem toeging en hem zei: "Ik kan niet geloven dat u werkelijk dat alles kunt wat er van u gezegd wordt!" Als u dat doet dan is uw geval óf niet zeer ernstig óf u weigert de ernst ervan te erkennen. Als u zich werkelijk van uw nood bewust bent, dan zal het allerminste wat u zult doen zijn, dat u naar de geneesheer toegaat, hem uw moeilijkheden verteld en zegt: "Men heeft mij verteld dat u mij kunt helpen en ik vraag u dat te doen. Mijn komst is een eerlijke vraag en een blijk van vertrouwen."
Mijn vriend, Jezus Christus, staat altijd klaar om, als iemand zo tot Hem komt, daarop te antwoorden, zoals men dat graag wil. De ontdekking dat Christus een levende werkelijkheid is, is het eerste, wat er in het geloofsleven moet zijn. Dit is een toetssteen zowel als een getuigenis.
2. "Heer, wat moet ik doen?"
Het tweede - bij Paulus, evenals in het leven van iedere ware gelovige - wordt uitgedrukt in één zin: "Heer, wat moet ik doen?" (Hand. 22:10)
Dit geeft een nieuwe positie en een nieuwe verhouding weer. En hoe geheel anders dan die van de Saulus van vóór zijn bekering.
Tot nu toe was zijn leven en zijn capaciteit vanuit hemzelf voortgekomen - hij deed wat hij dacht, wat hij zich voornam, beoogde, van plan was, besloot en wenste. Zelf te beslissen was zijn levenshouding geweest, hoewel hij zou hebben gezegd dat het voor een goede zaak was - zelfs dat het voor God gedaan werd. Welk een voorbeeld was Saulus van het feit dat de beste bedoelingen en de grootste toewijding van een mens aan wat hij gelooft dat Gods belangen zijn, toch aan God de grootste ondienst zou kunnen bewijzen, terwijl hij zelf volkomen blind kan zijn voor dit feit. Wij zullen later hierop terug komen.
Hier zien wij dan dat er één ding is, dat een duidelijk bewijs is van een leven, dat God werkelijk kan aannemen: het is het absolute Heer-zijn van Jezus Christus. Paulus gebruikt dat woord "Heer" voor het eerst bij zijn bekering; het kwam er spontaan uit toen hij besefte dat Jezus leeft! Vanaf dat ogenblik was Jezus zijn Heer, zijn Meester. Wij weten uit het zijn leven nadien hoe volkomen die overgave en verandering van heerschappij was. Vanaf dat uur was alles op basis van "Walt wilt gij?"
Ja het is het kenmerk van het leven van een ware gelovige, als wij met dezelfde innerlijke erkenning en overgave tot Jezus zeggen: "Heer" en vanaf dat ogenblik ons hele leven laten beheersen door Hem als onze Meester.
3. "Christus in u"
Er is nog een kenmerk, dat aan het leven van een christen niet mag ontbreken en wij willen dat nu naar voren brengen. Wij zien het in de woorden, die door Ananias tot Paulus werden gesproken: "De Heer…… heeft mij gezonden, Jezus, opdat gij…… met de Heilige Geest vervuld zou worden" (Hand. 9:17).
De volmaking van dit fundamentele werk, waardoor wij christen worden in de ware zin des woords, is dat alles, wat van Christus geldt, tot een innerlijke levende werkelijkheid in ons wordt. Tot nu toe, hoewel alles een grote werkelijkheid was en er diepgaande veranderingen hebben plaatsgevonden, stonden wij hoofdzakelijk in een uiterlijke verhouding tot Christus. Maar het zou fataal zijn, daarbij te blijven staan, hoe groot deze ontdekking ook is. Wij kunnen niet leven van iets, dat op een gegeven moment gebeurde. Wij kunnen al de geweldige machten van het kwade, die ons zullen tegenstaan, niet tegemoet treden krachtens een enkele herinnering, hoe levend die ook moge zijn. Wij zullen nooit een leven van overwinning leiden of met vrucht dienen of God werkelijk behagen op de basis van iets, dat slechts uiterlijk en objectief is.
Het is een feit, dat alleen Christus God werkelijk voldoening kan schenken; Christus alleen kan Gods wil en Gods werk doen. Christus alleen kan de geestelijke machten van de boze overwinnen. Ja, Christus alleen kan werkelijk het christelijke leven leven. Daarom is de allesomvattende en allesbekronende werkelijkheid voor een christen - Christus Zelf in ons! Paulus zei het later in deze woorden: "Christus in u, de hoop der heerlijkheid" (Col. 1:7 SV).
Dit wordt tot werkelijkheid door een uitgesproken daad als wij geloven. De Heilige Geest neemt ons innerlijk in bezit. Deze inwoning van Christus werd door geen mens gekend in de geschiedenis, totdat Christus gestorven en opgestaan en verheerlijkt was. Daarom is dit in het bijzonder het wonder en de heerlijkheid voor de christen. En dit verklaart ook de Nieuwtestamentische uitdrukking: "wederomgeborden." Voordien was er nooit iets dergelijks.
Daarom wordt dus in het kort onze vraag: 'Wat is een christen?' in drie hoofdpunten beantwoord.
1. Beseffen dat Jezus leeft.
2. Hem kronen als absoluut Heer.
3. Hem door de Heilige Geest als steeds tegenwoordig en als een kracht in het hart
   hebben.
Het getuigenis van een christen moet altijd zijn:
   Hij leeft! Hij leeft!
   Mijn Heiland leeft ook nu!
   Hij spreekt met mij, gaat aan mijn zij,
   Hij leeft voor mij - voor u!
   Hij leeft! Hij leeft!
   Hij redt van zond' en smart!
   Gij vraagt: "Hoe weet gij dat Hij leeft?"
   'k Heb Jezus in mij n hart!
Principes van bekering
"Gij zoudt mij graag overhalen een christen te worden" (Hand 26:28 Engelse vert.)
"Ik hoorde een stem tot mij spreken…… Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?" (Hand 26:14)
Bovenstaande woorden, gesproken tot dezelfde man - Saulus van Tarsus, later Paulus, de apostel - de eerste door een heerser in het Romeinse keizerrijk, de laatste door Jezus van Nazareth, bevatten de voornaamste kenmerken van een ware geloofservaring. Deze Paulus was met recht een levend voorbeeld van een christen, zowel in de wijze waarop hij het werd als waarop het in zijn leven tot uitdrukking kwam. Er mogen er dan niet velen zijn, die gelovig werden op dezelfde manier of onder dezelfde begeleidende omstandigheden bij hun bekering; het is niet noodzakelijk dat wij neergeveld worden door een verblindend licht gedurende een reis en een verneembare stem uit de hemel horen, die ons bij name toeroept: toch zijn de principes altijd dezelfde. Laten wij in deze woorden de principes trachten te vinden.
1. Iets beslist persoonlijks
"Ik hoorde een stem tot mij spreken…, Saul, Saul……" Er waren anderen, die met Saulus meereisden die dag; wij weten niet hoeveel, Paulus spreekt over hen als "allen" - "toen wij allen ter aarde vielen". Het schijnt dat er een heel aantal was. Maar Saulus werd eruit gehaald en wat er gebeurde was zo beslist persoonlijk dat het was alsof hij de enige mens op aarde was. Altijd nadien sprak hij over zijn ervaring als iets, wat uitermate persoonlijk was. Het verbazingwekkende was voor hem dat Christus hem bij name kende en alles wist, wat er in hem plaats vond.
Het is een feit en een feit, waarvan wij ons bewust moeten worden, dat God persoonlijk en rechtstreeks belangstelling voor ons heeft en zich zeer persoonlijk om ons bekommert. Schrijver dezes had een vriend, die militaire hospitalen bezocht. Hij had in zijn zak altijd enige teksten om achter te laten bij mannen, die iets uit Gods Woord nodig hadden. Hij had de gewoonte om voordat hij zich op weg begaf, te bidden dat hij geleid zou worden om de juiste tekst aan de juiste man te geven.
Bij één van deze bezoeken keek hij, toen hij een zaal binnen ging, rond en in de hoek stond een bed met een gestalte, die zo volkomen in verband gewikkeld was, dat alleen neus, mond en oren onbedekt waren. Hij wilde naar het bed toe gaan, toen de verpleegster zei, dat het nutteloos was - het liep bijna af met de man en er kon niet meer met hem gesproken worden. Hij wachtte enkele ogenblikken en besloot toen een tekst achter te laten op de verbonden handen. Hij deed dit, zonder te kijken welke tekst het was. Toen hij zich van het bed verwijderde, zei een gedempte stem:
Wat is dat?
O, zei mijn vriend, het is alleen maar iets uit Gods Woord.
Wat staat er op? Vroeg de stervende man.
Laat eens kijken - ja, dit is het: Spreuken 23:26. Er staat: "Mijn zoon, geef Mij uw hart".
Wie zei dat? Vroeg de soldaat.
Dat is Gods Woord - de Bijbel!
Leest u het nog eens, zei de gewonde.
"Mijn zoon, geef Mij uw hart."
Er was een ogenblijk stilte en toen:
Zei u dat dit in de Bijbel staat?
Ja, en God zegt het tegen u!
De soldaat zuchtte, maar er lag een vraag in die zucht. Mijn vriend wachtte een ogenblik en vroeg toen wat hem in verwarring bracht of verbaasde.
Kijkt u eens naar die kaart boven mijn bed, zei de soldaat.
Mijn vriend deed het en hij was verbaasd toen hij op de militaire identiteitskaart de naam las JACK MYSON (Engels: My son = mijn zoon)
Zegt u 'Een toeval!' 'Een samenloop van omstandigheden!'? Die man stond op het punt de eeuwigheid in te gaan en God sprak tot hem bij name. Nogmaals, het hoeft niet altijd op precies dezelfde manier te gebeuren; maar het feit blijft bestaan, dat God Zich om ieder van ons persoonlijk bekommert en een waar christen is iemand, die in zo'n persoonlijke verhouding tot God is gekomen dat het voor hem of haar mogelijk is om evenals Paulus te zeggen: "Hij heeft mij liefgehad en Hij heeft Zich voor mij overgegeven" (Gal. 2:20).
"Ik hoorde een stem tot mij spreken: Saul, Saul……" Toen kwam Paulus tot de ontdekking dat zijn innerlijke geschiedenis geheel en al aan Christus bekend was. De andere mensen konden zien wat er uiterlijk gebeurde. Hij was in grote haast op weg naar Damascus. Hij had zekere papieren, die hem volmacht gaven om christenen gevangen te nemen en hen gebonden naar Jeruzalem te brengen. Hij deed zijn werk met toewijding en die andere mensen zouden het toeschrijven aan godsdienstijver. Maar daar boven was er Eén, Die iets anders wist. Hij toonde die kennis, toen Hij zei: "Het valt u zwaar tegen de prikkels achteruit te slaan." (Hand. 26:14).
Hij was dus eigenlijk als een os, die, gespannen voor de ploeg en onwillig om een bepaalde richting in te slaan, tegen zijn wil gedwongen werd en in opstand kwam en de verzenen tegen de prikkels sloeg. Hoe anders was dit beeld dan datgene, wat anderen van hem hadden en hoe anders dan wat hij zichzelf probeerde wijs te maken! Maar die Ene daar boven weet dingen, die wij niet willen toegeven of aanvaarden. Hij ziet door ons heen, door al onze voorwendsels, ons zelfbedrog en onze tegenstand.
Saulus spande zich wanhopig in om het bedrog van Christus en het christendom aan het licht te brengen maar de waarheid was dat hij niet zo zeker was van zichzelf als hij had gehoopt. Iets had hem getroffen en het zou fataal geweest zijn voor zijn positie als hij dat iets een kans had gegeven. Daarom moest hij zich vermannen en met alle kracht tegenstand bieden. Innerlijk trapte hij achteruit en eigenlijk zei hij: 'Ik heb Christus niet nodig! Ik wil Christus niet! Ik wórd geen christen!'
Wel, Christus is werkelijkheid en vroeger of later zullen wij Hem moeten bezitten. Er zijn verschillende tijden en manieren, waarop dat geschieden kan.
Wij kunnen Hem nu als onze Heer en onze Heiland bezitten en ons evenals Paulus verheugen in een leven van heerlijke gemeenschap met Hem en van bruikbare dienst voor Hem.
Of wij kunnen Hem bezitten aan het einde van ons leven, of dat nu vroeg of laat is. Maar dat zal de onuitsprekelijke spijt en smart met zich meebrengen at wij geen leven van dienst hebben om aan Zijn voeten te leggen - een voor eeuwig verbeurd leven van gemeenschap met Hem in het grote voornemen, dat Hij nu bezig is ten uitvoer te brengen.
Of - helaas - als dit leven voorbij is, zullen wij Hem moeten aanvaarden - niet als onze Voorspraak of Vriend, maar als onze Rechter.
God heeft besloten dat uiteindelijk "alle knie zich buigen zal" voor Zijn Zoon, maar Hij verlangt ernaar, dat het zijn als met Saulus: "Heer, wat wilt Gij, dat ik zal doen?" (Eng. Vert.). Dit is wat het betekent een christen te zijn. Maar er ligt nog meer in de woorden, die wij aan het begin van dit hoofdstuk hebben aangehaald.
2. Christendom - niet een godsdienst, maar een persoon.
"Waarom vervolgt gij Mij?" vroeg de verheerlijkte Christus. Wat een idee! Hier was een man, die tot het uiterste ging in godsdienstige toewijding. Voor zover het zijn verstand betrof (ook al was er in zijn hart een verborgen en kwallende vraag), was hij er van overtuigd dat hij dit doen moest in het belang van de godsdienst. In feite was hij innerlijk verdeeld, maar in zijn ijver voor de traditionele godsdienst en, zoals hij geredeneerd zou hebben, om Gods wil, onderdrukte hij iedere vraag en dwong hij zichzelf op een nietsontziende wijze om door te gaan. En toch werkte hij al die tijd tegen God, tegen Gods Zoon en tegen de Hemel! Wat een toestand van verwarring!
Veel zou hierover gezegd kunnen worden: aangaande het verschil tussen godsdienstig zijn en een echte christen zijn; hoe het mogelijk is dat mensen hartstochtelijk vroom en toegewijd zijn aan datgene, waarvan zij geloven dat het van God is - of voor God - en toch juist door die toewijding Zijn ware belangen in de weg staan. Maar wij moeten het alles samenvatten in één punt, dat alles omvat.
Een christen is niet een persoon die godsdienstig is, in meerdere of mindere mate. Een christen is niet een persoon, die zich houdt aan een heleboel geboden en verboden. God zal ons niet behandelen op grond daarvan. Ook zal Hij de mensen niet oordelen naar de hoeveelheid of naar de aard van hun zonden. Hij heeft één basis van oordeel en iedere andere basis zou oneerlijk zijn, omdat iedereen op grond van zijn of haar geboorte, opvoeding, omstandigheden, geaardheid, enz. al dan niet bevoorrecht is en zal zijn: Wat doen wij met Gods Zoon Jezus Christus?
God heeft Zijn Zoon gezonden en door Hem worden wij allen in dezelfde positie geplaatst. Hij wordt ons voorgesteld als de door God aangewezen Heer voor alle mensen. God zal bij het oordeel nooit zeggen: "Hoeveel zonden hebt u gedaan?" maar "Wat hebt u met mijn Zoon gedaan?" Het is niet nodig dat wij Hem met heftigheid verwerpen of daadwerkelijk en fel strijden tegen Christus, zoals Saulus deed. Wij kunnen - en het leidt tot precies hetzelfde eeuwig verderf - Hem ook alleen maar verwerpen; 'Nee' zeggen en ons voor hem afsluiten; of Hem eenvoudig negeren. Wij zijn evenzeer verloren. Het is niet nodig om het reddende geneesmiddel weg te slingeren om verloren te gaan. Het is alleen maar nodig om het te laten waar het is en het niet te gebruiken. Maar het is een verschrikkelijke verantwoordelijkheid om te hebben geweten dat het er was en eenvoudig nagelaten te hebben het te gebruiken.
Wij zien dus dat alle vragen van leven en dood, zonde en gerechtigheid, hemel en hel, tijd en eeuwigheid, samenhangen - niet met 'godsdienst', 'kerk', 'geloofsbelijdenis' - maar met een levende verhouding tot de Zoon van God; en een christen is iemand, die zelf gekomen is tot zo'n levende verhouding en die het antwoord op al die vragen gevonden heeft in de Persoon en het werk van de Heer Jezus Christus.
- EINDE -
Wilt u reageren? Stuur ons even een email.
home
top
|