|
Om u een indruk te geven van de inhoud van dit boek en tegelijk een stuk ter overdenking, is hieronder een fragment opgenomen uit het boek. Het fragment is het eerste gedeelte van hoofdstuk 10, met als titel:
Het leven van Christus
Lezen: 1 Corinthiërs 1:30 & 15:45-47, Galaten 2:20, Romeinen 5:12,19, 2 Corinthiërs 5:17
Zonden en zonde
Als basis voor onze studie over het christelijk leven willen we de eerste acht hoofdstukken van Romeinen nemen. In hoofdstuk 1 tot en met 4 is het onderwerp, in het algemeen gesproken, zonden; hoewel de zonde verschillende keren genoemd wordt.
In hoodfstuk 5 tot en met 8 is dit omgekeerd, want hoewel zonden genoemd worden, gaat het over het vraagstuk van de zonde.
In de eerste hoofdstukken is het een kwestie van zonden die ik ten aanzien van God begaan heb; in het tweede gedeelte is het een ontdekking van het principe van de zonde die in mij werkt.
Ik heb vergeving van zonden nodig, maar ik heb bevrijding van de macht van de zonde nodig.
Het onderricht in de Romeinenbrief is niet dat we zondaren zijn omdat we zonden doen, maar dat we zondigen omdat we zondaren zijn.
We zijn zondaren van aard en niet in de eerste plaats vanwege onze daden.
Zoals Romeinen 5:19 het zegt: "Door de ongehoorzaamheid van één mens zijn zeer velen zondaren geworden."
Als Gods licht voor het eerst in mijn hart schijnt, is er slechts een roep om vergeving, want ik besef dat ik zonden tegen Hem begaan heb, maar als ik vergeving van zonden ontvangen heb, doe ik een nieuwe ontdekking - ik ontdek de zonde, en ik besef dat ik de natuur van een zondaar heb.
Er is een innerlijke neiging tot zonde. Er is een kracht van binnen in mij die mij naar de zonde toetrekt, en als die kracht uitbreekt, doe ik zonden.
Ik kan vergeving vragen en ontvangen, maar dan zondig ik opnieuw, en zo gaat mijn even door in een vicieuze cirkel - zondigen en vergeving ontvangen, maar dan weer opnieuw zondigen.
Ik ben blij met Gods vergeving, maar ik verlang meer dan dat - ik wil bevrijd worden. We hebben vergeving nodig voor wat we gedaan hebben, maar we hebben bevrijding nodig van wat we zijn.
In Romeinen 1 tot en met 8 zien we twee aspecten van de verlossing. De hoofdstukken 1 tot met 4 gaan over de vergeving van zonden en de rechtvaardigmaking, en de basis van de vergeving is het bloed.
Het bloed is voor de verzoening en heeft te maken met onze positie voor God en ons bewust zijn van zonde.
Als wij bidden: "Here, reinig door Uw bloed mijn hart van zonde", dan hebben we niet goed begrepen hoe het bloed werkt.
Het bloed is voor God en is objectief en reinigt ons geweten, niet ons hart. Als wij zondigen, veroordeelt ons geweten ons, maar vanwege het vergoten bloed krijgen we weer vrede in het geweten. God sprak: "Wanneer Ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij" (Ex. 12:13).
Het bloed was aan de buitenkant, zodat God het kon zien. Die binnen waren, konden het niet zien. Het bloed bevrijdt ons dus objectief van de macht van de vijand, omdat het afrekent met zonden en zo de grond van zijn beschuldigingen tegen ons wegneemt.
Subjectief echter bevrijdt het kruis ons door met het vlees af te rekenen, dat de grond is van de activiteit van de activiteit van de vijand in ons.
Het bloed kan mijn zonden afwassen, maar niet het mijn oude mens. Ik heb het kruis nodig om mij, de zondaar, te kruisigen.
Wat is een zondaar? Iemand die zonde doet? Ja, maar voor God zijn alle mensen zondaren, los gezien van zondige daden. Wij denken dat alles goed zou zijn als wij bepaalde dingen maar niet gedaan zouden hebben, maar het probleem ligt veel dieper dan wat wij doen.
Het is gelegen in wat wij zijn. De wortel van het probleem is de zondaar zelf. Er moet met hem afgerekend worden.
Met onze zonden is afgerekend door het bloed, met onszelf door het het kruis. Het bloed heeft onze vergeving bewerkt; het kruis bevrijdt ons van wat we in Adam zijn.
Wilt u reageren? Stuur ons even een email.
home
top
|