Paulus geeft zijn definitie van het normale christelijke leven in Gal.2:20: "niet meer ik, maar Christus". Dit is zijn samenvatting van het christelijke leven! Ik leef niet meer, maar Christus leeft zijn leven in mij. God heeft slechts één antwoord op elke menselijke nood - zijn Zoon Jezus Christus. Hij stierf:in onze plaats opdat wij vergeving zouden ontvangen; Hij leeft in onze plaats opdat wij bevrijd zouden zijn. Het plaatsvervangend werk 'is dus tweeërlei. De Plaatsvervanger verzekert ons aan het kruis de vergeving en in ons de overwinning.
Laten wij Rom. 1-8 nemen als basis voor het bestuderen van het normale christelijke leven. In de eerste vier hoofdstukken is, ofschoon "zonde" verscheidene keren genoemd wordt, het onderwerp toch in het algemeen gesproken "zonden". In de volgende vier hoofdstukken is het juist omgekeerd, want terwijl zonden ook genoemd worden, gaat het in hoofdzaak over zonde. In de eerste vier wordt gesproken over zonden, die ik tegenover God heb begaan; in de tweede vier wordt het beginsel der zonde, dat in mij werkt, ontdekt. Ik heb vergeving voor mijn zonden nodig, maar bevrijding
van de macht der zonde. De Romeinenbrief leert ons niet dat wij zondaars zijn omdat wij zonden begaan, maar dat wij zondigen omdat wij zondaars zijn! Wij zijn veeleer zondaars door onze natuur en onze constitutie dan door onze daden, zoals Rom. 5:19 het uitdrukt: "gelijk door de ongehoorzaamheid van de ene mens het geheel der mensheid als zondaar kwam te staan" (letterlijk;geconstitueerd) - vert. Prof. Brouwer). Als Gods licht voor het eerst in mijn hart schijnt roep ik om vergeving, want ik zie dat ik zonden tegenover Hem heb begaan; maar als ik eenmaal vergeving van zonden heb ontvangen kom ik tot een nieuwe ontdekking - de ontdekking van de zonde en ik merk dat ik de aard, de natuur van een zondaar heb. Er is een innerlijke geneigdheid tot zonde. Er is een innerlijke kracht, die mij tot zondigen drijft en als die kracht naar buiten treedt bega ik zonden. Ik zoek en ontvang vergeving, maar dan zondig ik weer en het leven gaat voort in een vicieuze cirkel - zondigen, vergeving ontvangen, dan weer zondigen.
Ik ben dankbaar voor Gods vergeving, maar ik wens meer dan dat, ik wens bevrijding. Wij hebben vergeving nodig voor wat wij hebben gedaan, maar wij hebben bevrijding nodig van wat wij zijn.
In Rom.1-8 worden ons twee kanten van de verlossing voorgesteld. De hoofdstukken 1-4 van de brief behandelen de vergeving van zonden en de rechtvaardiging. De grond van vergeving, is het bloed. Het bloed is voor de verzoening en heeft te maken met ons staan voor God en ons bewustzijn van zonde. Wanneer wij bidden: "Heer, reinig mijn hart van zonde door Uw bloed", toont dat een verkeerd begrip van het gebied van werkzaamheid van het bloed. Het bloed is voor God en het is objectief; het reinigt het geweten, niet het hart. Als wij zondigen veroordeelt ons geweten ons, maar door het vergoten bloed wordt het geweten gereinigd. God sprak: "Wanneer Ik het bloed zie, dan ga Ik u voorbij" (Ex. 12:13).
Het bloed was aan de buitenkant voor God zichtbaar; degenen, die binnen waren, konden het niet zien.
Zo bevrijdt het bloed ons in objectieve zin van de macht van de vijand omdat het van zonden reinigt en zo de grond van zijn beschuldigingen tegen ons wegneemt. In subjectieve zin worden wij verlost door het kruis, dat ons. vlees, de oude mens, de grond van alle werkzaamheid van de vijand in ons, in de dood doet gaan. Het bloed kan mijn zonden wegwassen, maar niet mijn oude mens;
ik heb het kruis nodig om gekruisigd te worden, ik - de zondaar.
Wat is een zondaar? Iemand, die zonde begaat? Ja, maar mensen zijn zondaars voor God, ook zonder zondige daden. Wij denken, dat als wij zekere dingen maar niet gedaan hadden, alles in orde zou zijn; maar de moeilijkheid ligt veel dieper dan in wat wij doen: zij ligt in wat wij zijn. Waar al de verkeerdheid uit voortspruit is: de zondaar; met hem moet afgerekend worden. Het bloed reinigt ons van zonden, maar wijzelf moeten aan het kruis. Het bloed verschaft ons vergeving, het kruis brengt ons bevrijding van wat wij in Adam zijn.
De termen "in Adam" en "in Christus" worden door christenen heel weinig begrepen. Wij zijn allen "in Adam" geboren, en Rom. 5:12-21 laat ons zien wat wij "in Adam" zijn. Wij hebben de staat van zondaar, niet door de zonden, die wij begaan, maar eenvoudig door in Adam te zijn. Wij allen hebben gezondigd voor wij geboren waren, omdat wij "in Adam" waren toen hij zondigde. Als uw grootvader gestorven was toen hij drie jaar oud was, waar zou u dan zijn? U zou in hem gestorven zijn! Uw ervaring lag besloten in de zijne. Wij zijn in Adams zonde besloten en door "in Adam" geboren te zijn ontvangen wij allen wat van
Adam is, d.w.z. de natuur van Adam, die de natuur is van een zondaar. De vraag, waar het om gaat, is dus deze: "Hoe kan ik uit Adam bevrijd worden"? Wij zijn er door geboorte in gekomen, daarom kunnen wij er alleen door de dood uitkomen; en dat is juist de weg ter ontkoming, waarin God heeft voorzien. "Wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, zijn in zijn dood gedoopt". "In Christus" zijn betekent met Hem één geworden te zijn in zijn dood en opstanding. Het kruis is de kracht van God, die ons overbrengt van Adam naar Christus.
In 1 Cor.15:45 en 47 wordt de Here Jezus Christus met twee namen genoemd -de laatste Adam en de tweede Mens. De Schrift noemt Hem niet de tweede Adam, of de laatste Mens, want als de laatste Adam vat Hij in zichzelf de gehele mensheid samen; en als de tweede Mens, die door zijn kruis heeft afgedaan met de eerste mens, in wie Gods doel verijdeld was, maakt Hij een nieuw begin door een Andere Mens, in Wie dat doel ten volle verwerkelijkt is. "Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping: het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen!" (2 Cor. 5:17). Door het kruis heeft God de hele oude schepping weggedaan, en uit de dood is een nieuwe schepping tevoorschijn gebracht
in Christus, de tweede Mens.
Als wij "in Adam" zijn is alles wat "in Adam" is noodzakelijkerwijze op ons overgegaan. Zo komt als wij "in Christus" zijn alles wat in Hem is door vrije genade tot ons zonder inspanning van onze kant, op grond van eenvoudig geloof.
Het christelijk leven is niet minder dan het leven van Christus. Het is Christus' eigen leven, dat in ons wordt geleefd. "Uit Hem zijt gij in Christus Jezus, die ons geworden is wijsheid van God en rechtvaardigheid en heiligmaking en verlossing" (1 Cor. 1:30, St. Vert.). Het gewone begrip van heiligmaking is dat elk onderdeel van het leven heilig "moet zijn; maar dat is geen heiligheid, dat is de vrucht van heiligheid; heiligheid is Christus. Als wij ons bewust zijn van trots denken wij dat wij nederigheid nodig hebben, maar het antwoord op trots . is niet nederigheid, het is Christus en Christus is het antwoord op elke nood. God zal u geen nederigheid of geduld of liefde schenken als afzonderlijke gaven van zijn genade; Hij heeft u Christus gegeven en als u eenvoudig vertrouwt dat Hij zijn leven in u uit wil leven, zal Hij nederig, geduldig, liefhebbend zijn en alles wat u nodig hebt. God is geen kleinhandelaar: Hij deelt geen genade aan ons uit in
doses. Hij geeft ons zijn Zoon, die ons leven wil zijn en wij behoeven alleen maar "in Christus" te zijn, dan wordt alles wat in Christus is het onze, Er is maar één christelijk leven en dat is het leven van Christus. Nooit wordt mij gevraagd om dat leven na te leven, maar alleen om Christus toe te staan zijn leven in mij uit te leven; "Ik ben het niet meer die leeft, maar Christus leeft in mij" (Gal. 2:20, vert. Prof. Brouwer).
Hoe moeten wij dan "uit Adam" en "in Christus" komen? Prijst God, Hij heeft het niet aan ons overgelaten om te bedenken hoe dat moet of om het voor onszelf uit te werken, want God heeft mij reeds "in Christus" geplaatst.
"Uit Hem is het dat gij in Christus Jezus zijt" (1 Cor. 1:30).; Wij zijn in Hem, daarom hoeven wij niet te proberen om in Hem te komen. Het is een goddelijke daad en het is een voldongen feit. Mag ik een eenvoudig voorbeeld geven? Ik leg een bankbiljet in mijn bijbel. Dat bankbiljet is van mij. Nu stuur ik de bijbel naar Shanghai. Kan de bijbel in Shanghai komen en het bankbiljet hier blijven? Neen, waar de bijbel gaat, gaat het bankbiljet ook, en wat er ook met de bijbel gebeurt, dat alles gebeurt ook met het bankbiljet, want het is er in. "Uit Hem zijt gij in Christus Jezus". God heeft ons in Christus geplaatst en wat Hij met Hem gedaan heeft, heeft Hij gedaan met het hele mensengeslacht. Onze bestemming is verbonden met de Zijne. Waar Hij doorheen is gegaan zijn ook wij doorheen gegaan. Hij is gekruisigd, en wat is er dus met ons gebeurd? Moeten wij God vragen ons te kruisigen? Nooit! Toen Christus gekruisigd werd, werden wij gekruisigd; en zijn kruisiging is in het verleden geschied, daarom kan de onze nooit in de toekomst liggen. U kunt geen enkele tekst in het Nieuwe testament vinden, die zegt dat onze kruisiging in de toekomst ligt. Alles wat over onze kruisiging gezegd wordt staat in de verleden tijd en is dus al gebeurd -Rom. 6:6; Gal. 2:20; 5:24; 6:14. Geen mens zou ooit door kruisiging zelfmoord kunnen plegen, want niemand kan zichzelf kruisigen. Wij zijn gekruisigd toen Hij gekruisigd werd, want God heeft ons in Hem geplaatst. Dat wij met Christus gestorven zijn is niet enkel maar een leerstellige waarheid; het is een feit, een eeuwig feit en God vraagt van ons dat wij met dat feit rekenen.
Wanneer over de waarheid van onze eenheid met Christus wordt gesproken, wordt de nadruk er meestal op gelegd dat wij "dood zijn voor de zonde" (Rom.6:11). Gods woord zegt ons echter dat het weten
aan het "er voor houden" voorafgaat. "Dit wetende, dat onze oude mens met Hem gekruisigd is" (Rom.6:6, St. V.). Dat wij "het er voor houden" moet berusten op kennis, anders heeft het geloof geen grond, waarop het rusten kan. Onze dood met Christus is een feit - een feit dat even zeker is als de dood van Christus. Hebt u ooit aan het feit van zijn dood getwijfeld? Twijfelt u ooit aan het feit van uw eigen dood? Ik geloof in de dood van de Here Jezus en ik geloof in mijn: eigen dood, even zeker als ik in de Zijne geloof. Waarom gelooft u dat de Here Jezus gestorven is? Omdat u het voelt? Neen, u gelooft omdat God het gezegd heeft. Nu, wat omtrent uw eigen dood? Bent u gestorven? Hoe kunt u het weten? U kunt het weten om de eenvoudige reden dat God het gezegd heeft. Onze oude mens is eens voor altijd gekruisigd, en dat kan nooit meer ongedaan gemaakt worden. Dat is wat wij. weten moeten; als wij dat weten zullen wij er spontaan toe komen onszelf voor dood te houden.
God zegt ons dat wij onszelf als dood moeten beschouwen, niet omdat wij, als wij dat doen, dood kunnen "worden", maar omdat wij dood zijn. God, zou nooit van ons kunnen vragen om iets te erkennen dat geen feit is. Als ik geloof dat ik
dood ben, behoef ik geen enkele poging te doen om mezelf als dood te beschouwen, want dat spreekt vanzelf! Maar als ik er niet van overtuigd ben dat ik werkelijk dood ben, en als ik hoop dat ik die toestand bereiken zal door mezelf er door inspanning van te overtuigen, dan wordt dat een zware en moeilijke arbeid! Als ik mezelf zou willen laten doorgaan voor mijnheer D., dan zou ik verplicht zijn om voortdurend te herhalen: "Je bent mijnheer D.;, pas op dat je niet vergeet dat je mijnheer D. bent". Ondanks mijn pogingen om mezelf te overtuigen dat ik mijnheer D. ben, is het heel waarschijnlijk dat ik, als op een ogenblik, waarin ik niet op mijn hoede ben iemand mij "W.N." noemt, dadelijk antwoord op het horen van de naam, die de mijne is. Al de moeite, die ik gedaan heb om mezelf te overtuigen, zal op het kritieke moment tot niets leiden. Ik ben W.N.; daarom kost het me helemaal geen moeite om mezelf als W.N. te beschouwen; als ik inslaap en het helemaal vergeet, verandert dat niets aan het feit. Het maakt geen verschil of ik eraan denk of het vergeet; het is niet afhankelijk van mijn geheugen noch van mijn pogen om mezelf te overtuigen. Ik weet dat ik Watchman Nee ben, daarom beschouw ik mezelf vanzelfsprekend als Watchman Nee.
Rom. 6:6 gaat vooraf aan Rom.6:11; niet alleen in de Schrift, maar ook in de ervaring van de christen. Tenzij wij een openbaring hebben ontvangen van de Heilige Geest ten aanzien van het feit van onze dood met Christus, zal ons "het er voor houden" slechts een dood werk zijn. Jarenlang heb ik getracht mijzelf voor dood te houden tot God mij mijn dood met Christus openbaarde als een voor eeuwig vaststaand feit. Ik had wel door de straten willen gaan, luid roepend het nieuws van mijn blijde ontdekking: "weet u dat ik dood ben - zo dood als het maar kan!" Als wij het er alleen maar "voor houden" wordt de strijd hoe langer hoe groter en de uitkomst is stellig nederlaag. Weten en het er voor houden wordt gevolgd door overgave. Paulus zegt: "Laat dan de zonde niet in uw sterfelijk lichaam heerschappij voeren, zodat gij aan de lusten daarvan gehoorzaamt; en stelt uw leden niet aan de zonde ter beschikking als wapenen der ongerechtigheid" (Rom.6 :12,13). Wij zijn gestorven en opgestaan; nu moeten wij ons, op grond daarvan, ter beschikking stellen. Er wordt hier niet bedoeld dat wij iets moeten toewijden, dat tot de oude schepping behoort, maar alleen dat, wat door de dood is overgegaan tot de opstanding. Weten, erkennen, overgeven,
dat is de goddelijke volgorde. Als ik werkelijk weet dat ik reeds gekruisigd ben, erken ik spontaan dat ik dood ben; en als ik mijzelf waarlijk als één beschouw met de Heer in zijn dood en zijn opstanding, dan is het resultaat, dat ik mij overgeef, dat ik mezelf aan Hem uitlever. Christus is de bron van mijn leven. Hij is mijn leven, dus ik kan niet anders dan alles aan Hem overgeven, want alles is het Zijne en niet het mijne.
Als ik niet door de dood ben gegaan heb ik niets toe te wijden, want er is niets in mij dat God aan kan nemen. Hij heeft alles wat van de oude schepping is, veroordeeld tot de kruisdood. Ik heb geen eigen wil meer en ben bereid om Hem zijn wil in mij te laten uitwerken. Ik beschouw mijn hele leven als toebehorend aan de Heer.
De "ellendige mens" in Rom.7 trachtte God te behagen op grond van de oude schepping, waar de mens dood is in zonde. Het resultaat was volkomen mislukking. Waarom? Als de mens om der zonde wil met Christus gekruisigd is, hoe kan die mens dan God behagen? Als wij der zonde dood zijn, kunnen wij zo, dood als wij zijn, God ook niet behagen. Wij zien niet dat de dood, die uit de zondeslavernij
bevrijdt, ons ook bevrijdt van de wet. Op het ogenblik dat wij zelf
trachten God te behagen, plaatsen wij onszelf onder de wet,in een sfeer waar de genade niet werkzaam is (Rom.6:14). Genade betekent dat God iets voor ons doet, de wet betekent dat wij iets voor God doen. Bevrijding van de wet betekent niet dat wij vrij zijn van het doen van de wil van God maar van nu aan doet een Ander het in en door ons. God wist, dat wij zijn wet niet kunnen houden, maar de zaak is dat wij dat niet weten en het is nodig, dat wij het ontwijfelbaar bewijs krijgen dat wij hopeloos zwak zijn. "De wet nu kwam er bij, opdat de zonde zou toenemen" (Rom. 5:20). Eindelijk zien wij het en belijden: ik ben door en door zondaar en ik kan totaal niets doen om God te behagen. Als wij overtuigd zijn dat wij Gods wet niet kunnen houden, of Hem ook maar enigermate behagen, dan is het doel bereikt, waartoe de wet dient. Zij is onze tuchtmeester geweest om ons tot Christus te brengen opdat Hij haar in ons kan houden (Gal.3:24). Prijst God, Hij is. Wetgever op de troon, en Hij is Houder-der-wet in mijn hart. Hij, die de wet. gaf, houdt haar zelf. Zo lang wij trachten iets te doen, kan Hij niets doen. Het is juist door ons trachten dat wij falen en falen en falen. God wil ons laten zien dat wij helemaal niets kunnen doen
en tot dát ten volle erkend is zullen onze teleurstellingen en desillusies nooit ophouden. Wij moeten allen tot de plaats komen waar wij zeggen "Heer, ik ga niets voor u doen wat mijn verlossing betreft noch mijn heiligmaking; maar ik vertrouw dat U alles in mij doet."
Rom. 5 laat de mens zien "in Adam"; Rom. 6 "in Christus"; Rom. 7 "in het vlees" en Rom.8 "in de Geest". Als wij eenmaal de openbaring van Rom. 5 betreffende onze natuurlijke staat hebben aangenomen, verwelkomen wij vanzelfsprekend de waarheid van Gods voorziening in genade, die in Rom. 6 wordt voorgesteld.
Wij houden onszelf dood voor de zonde en gaan onmiddellijk proberen om God te behagen. Dan bevinden wij ons, tot onze grote verbazing, in Rom. 7. Door ons pogen om God te behagen hebben wij onszelf "in het vlees" gesteld en in die sfeer is alleen nederlaag.
De weg ter ontkoming wordt in Rom. 8 getoond, n.l. "in de Geest". Zodra wij op natuurlijke basis komen, wordt alles wat wij van nature "in Adam" hebben in onze ervaring gezien, maar als wij "in de Geest" leven wordt alles wat waar is "in Christus" in ons werkzaam gemaakt. Als wij de volkomen verdorvenheid zien van ons natuurlijke leven zullen wij het helemaal verwerpen, ons zelf dood houdend niet alleen ten aanzien van de zonde maar ook van de wet, d.w:z. dood ten aanzien van het behagen van God door ons eigen pogen. Als wij weigeren "in het vlees" te leven, d.w.z. als wij niet alleen de zonde wegdoen, maar zelfs ophouden te denken dat wij in, onszelf God behagen kunnen, dan en niet eerder zullen wij weten wat het betekent om "in de Geest" te leven; en als wij "in de Geest" leven zullen wij het kruis in onze ervaring verwerkelijkt zien.
De twee grootste feiten, in de geschiedenis zijn deze: met al onze zonden is afgerekend door het bloed; en met onszelf is afgerekend door het kruis. Maar als ik nu, nadat ik deze feiten heb aanvaard, eens driftig word? Hier hebben we nu juist de proef op de som. Zullen wij de tastbare feiten, die ons duidelijk vóór ogen staan, geloven of de niet-tastbare feiten van de geestelijke sfeer, die niet gezien kunnen worden noch bewezen?
"Het geloof nu is de zekerheid van wat wij hopen" (Hebr. 11:1). "Het geloof is de verwezenlijking van wat wij hopen - N. Eng.vert.).
Door middel van onze zintuigen maken wij feiten in de natuurlijke sfeer tot werkelijkheid. Bijvoorbeeld door het gehoorzintuig wordt muziek werkelijkheid
voor mij etc. Als ik niet kan horen, kan ik mij niet verheugen in muziek, maar de muziek blijft er hetzelfde om, of ik haar horen kan of niet. Een blinde kan geen kleuren onderscheiden; voor hem is het alsof er geen kleuren bestaan. Ze zijn er wél, maar zijn ervaring wordt er niet door beïnvloed, eenvoudig omdat hij het vermogen mist om ze voor zichzelf tot werkelijkheid te maken. Wij maken niet voldoende onderscheid tussen beloften en feiten. De beloften van God moeten geopenbaard worden door zijn Geest, en wij moeten ze ons toe eigenen en gebruiken? maar feiten zijn feiten, of wij ze geloven of niet. Als wij de feiten van het kruis niet geloven blijven zij even werkelijk als ooit, alleen zijn ze voor ons waardeloos. Geloof maakt deze dingen niet werkelijk, zij zijn werkelijk; maar geloof verwerkelijkt ze voor ons bewustzijn en maakt ze zo werkelijk in onze ervaring.
Wat in tegenspraak is met de waarheid van Gods woord moeten wij beschouwen als leugens van de duivel en hij vertelt niet alleen leugens, hij doet er ook naar en bedriegt ons niet alleen met leugenachtige verklaringen, maar door leugenachtige tekenen en gevoelens en ervaringen. Zodra wij onze dood met Christus als een vaststaand feit hebben
aangenomen, zal satan proberen te bewijzen dat wij helemaal niet dood zijn, maar springlevend en hij zal trachten dat door onze ervaring aan te tonen. Als wij de toevlucht nemen tot onze zinnen om de waarheid te ontdekken zien wij dat satans leugens kloppen met onze ervaring, maar als wij weigeren om iets te geloven dat Gods Woord tegenspreekt en door het geloof alleen daarop staan, dan verdwijnen satans leugens en onze ervaring zal overeenkomen met Gods Woord.
Gods Woord verklaart dat wij "dood" zijn, maar het zegt nergens dat wij in onszelf dood zijn. Tevergeefs zullen wij in onszelf dit dood-zijn zoeken. Wij zijn dood, niet in onszelf, maar "in Christus" en onze dood met Christus is even zeker als Zijn dood. Daar wij in Hem gestorven zijn is het onmogelijk dat zijn dood zeker zou zijn en de onze onzeker. Wij zijn met Hem gekruisigd omdat wij in Hem waren. De woorden: "Blijft in Mij en Ik in u" zijn ons bekend. Er wordt ons niet gezegd dat wij in Christus moeten komen, maar eenvoudig dat wij in Hem moeten blijven, want wij zijn in Hem. Het was Gods daad die ons in Christus plaatste. De alles-insluitende dood en opstanding van Gods Zoon is volkomen en afdoende, afgezien van ons. Wij zijn opgewekt met Hem (Ef. 2:6); wij zijn volmaakt in Hem (Col. 2:10); wij zijn gezegend met alle geestelijke zegeningen in Hem (Ef. 1:3); het ganse werk, dat ons betreft, is niet in óns gedaan maar in Christus; God heeft alles gedaan in zijn Zoon. Als u leeft op grond van wat Christus is, zult u zien dat alles wat waar is van Hem ook waar is van u. "Blijft in Mij, en Ik in u". Het "Ik in u" komt voort uit het blijven in Hem. Wij moeten waken tegen het teveel bezig zijn met de subjectieve kant van de dingen zodat wij op onszelf geconcentreerd raken; wij moeten onze aandacht houden bij het objectieve "blijft in Mij" en dan zal het subjectieve voor zichzelf zorgen. "Blijft in Mij, en Ik in u" is de goddelijke orde. Geloof in de objectieve feiten maakt die feiten waar. "Wie in Mij blijft en Ik in hem, die draagt veel vrucht". Wij moeten niet trachten vruchten voort te brengen, maar eenvoudig onze aandacht richten op wat wij zijn en hebben in Hem. "Blijft in Mij". Tracht niet in Hem te komen want gij zijt in Hem: blijf eenvoudig en rust in het feit dat God u in zijn Zoon heeft geplaatst, en al het andere zal daar vanzelf mee in overeenstemming komen.
In Rom.6:6 zien we hoe God met de hele zonde-kwestie afgerekend heeft -"onze oude mens", "het lichaam der zonde" en "zonde". "Onze oude mens" is met Hem gekruisigd, en omdat onze oude mens dood is, daarom is aan het "lichaam der zonde zijn kracht ontnomen", zodat wij "niet langer de zonde dienen". God heeft. die hele situatie in orde gemaakt, niet door direct af te rekenen met "het lichaam der zonde" of "de zonde", maar. alleen met "onze oude mens"; en als gevolg van het feit dat "onze oude mens" dood is, is aan "het lichaam der zonde" nu "zijn kracht ontnomen". Het woord, dat ook wel vertaald is met "teniet gedaan", heeft in de grondtekst niet de zin van "vernietigen", maar betekent eenvoudig: "buiten werking gesteld zijn". Wij moeten er aan denken dat God bij het oplossen van de zondekwestie niet direct handelde met de zonde, maar met de zondaar; daarom spreekt de Schrift meer van bevrijding van zonde dan van overwinning over de zonde. De termen "bevrijd van zonde" en "der zonde dood" tonen aan dat de zonde er nog steeds is maar dat wij er van bevrijd zijn. De bevrijding is zo volkomen dat Johannes schrijft: "Een ieder die uit God geboren is doet geen zonde - hij kan niet zondigen" (1 Joh. 3:9). Johannes zegt ons niet dat er geen sprake is van zonde maar dat in datgene wat uit God geboren is, geen zonde is. Hout kan niet
zinken, dat wil zeggen naar zijn aard kan het dat niet, maar als een hand het 'onder water houdt zinkt het wel. Wat "in Christus" is kan niet zondigen; wat "in Adam" is kan zondigen en zal ook altijd zondigen; daarom hangt alles daarvan af of ik in Christus blijf. Als ik door het geloof in Hem blijf zal mijn ervaring zijn dat ik bevrijd ben van zonde. "Wij leven in geloof, niet in aanschouwen" (2 Cor.5:7). Er is een illustratie, die vertelt van Feit, Geloof en Ervaring, wandelend op de rand van een muur. Feit liep rustig door, keek niet naar rechts of links en nooit achterom. Geloof volgde en alles ging goed zolang hij zijn ogen op Feit gericht hield, maar zodra hij zijn aandacht vestigde op Ervaring en zich omkeerde om te zien hoe die het wel maakte, verloor hij zijn evenwicht en viel van de muur en de arme Ervaring viel achter hem naar beneden.
Niemand kan werkelijk het normale christelijke leven leven tot hij is begonnen de volheid van het werk van de Heer Jezus aan het Kruis te erkennen; wij hebben vier zijden van dat werk genoemd, laat ons die nog eens noemen.
1. Onze zonden. Niemand kan een christen zijn, die niet gereinigd is door het bloed.
2. Onszelf. Niet alleen is door zijn
dood met onze zonden afgerekend, maar onze oude mens is met Hem gekruisigd. Het is mogelijk om een christen te zijn zonder dat feit te zien, maar dan één, die zich ellendig voelt!
3. Onze wil, Ook met onze wil is door het kruis afgerekend en als wij dat eenmaal beslist hebben aanvaard in een daad van onvoorwaardelijke overgave aan de Here, worden wij niet langer beheerst door onze eigen wil, en zijn wij klaar om Hem zijn wil in ons te laten uitwerken.
4. Ons natuurlijke leven. Als het kruis ons bevrijd heeft van de wet, zien wij dat de Heer met onze vleselijke krachten heeft afgedaan en wij komen tot een punt, waar wij onszelf helemaal niet durven vertrouwen, maar erkennen dat wij uit onszelf niets kunnen doen om God te behagen.
Deze vier punten zijn fundamenteel en wij kunnen het normale christelijke leven niet leven zonder ze te zien en ze in onze ervaring te kennen. "Wie zal mij verlossen?" is de kreet van Rom.7, maar Rom.8 geeft ons het antwoord. Paulus' juichkreet is: "Dank God door Jezus Christus, onze Heer". Zo leren wij dat het leven, dat wij leven, alleen het leven van Jezus Christus is. Het christelijke leven is niet dat wij een
leven leven gelijk Christus, of dat wij trachten om op Christus te lijken en ook is het niet zo dat Christus ons de kracht geeft om een leven als het Zijne te leven; het is Christus zelf, die zijn eigen leven door ons leeft: "niet meer ik, maar Christus" (Gal.2:20).
- EINDE -
Wilt u reageren? Stuur ons even een email.
home
top
|